BENEDEN-LEEUWEN - Heb je in huis een
houtkachel, mag je 'm niet gebruiken. Het is de harde realiteit voor
een bewoner van de Fruitbuurt in Beneden-Leeuwen. De reden: de buren
vinden dat het stinkt.
Het conflict is uitgevochten tot aan Raad van State, die na vier
jaar van procedures nu het gemeentelijk verbod de houtkachel nog aan
te doen heeft bekrachtigd. Hoe gezellig ook, de houtkachel mag niet
meer aan.
In het huis in de Leeuwense nieuwbouwwijk, aan de Kersentuin, was
een bewoner overgegaan op het gebruiken van een houtkachel als
hoofdverwarming.
Probleem zit 'm in de stank die de kachel veroorzaakt. De buren zijn
voor de aan- en afvoer van verse lucht in hun huis aangewezen op
mechanische ventilatie: verse lucht wordt van buiten aangezogen,
vieze lucht wordt uitgeblazen. Maar door de rooklucht die de kachel
van de buren veroorzaakt, werd er juist de vieze rooklucht naar
binnen gezogen. De enige remedie was de mechanische ventilatie uit
zetten, maar dat is ook weer niet goed voor het klimaat in huis.
Dat er in de gemeente geen stookverbod geldt, betekent volgens de
Raad van State nog niet dat de gemeente niet op individuele grond
stoken kan verbieden. Hebben anderen er last van, dan is het
stookverbod gerechtvaardigd.
Uitspraken
Raad van State
|
zaaknummer |
|
201001048/1/H1 |
|
datum van uitspraak |
|
woensdag 15 september
2010 |
|
tegen |
|
het college van
burgemeester en wethouders van West Maas
en Waal |
|
proceduresoort |
|
Hoger beroep |
|
|
rechtsgebied |
|
Kamer 3 - Hoger Beroep -
Bestuursdwang / Dwangsom |
|
201001048/1/H1.
Datum uitspraak: 15 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het
hoger beroep van:
[appellante],
wonend te [woonplaats],
tegen de
uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24
december 2009 in zaak nr. 08/5854 in het geding
tussen:
[appellante] en
[wederpartij]
en
het college van
burgemeester en wethouders van West Maas en
Waal.
1. Procesverloop
Bij besluit van
21 november 2006 heeft het college een verzoek
om handhavend optreden tegen de overlast die
wordt veroorzaakt door het stoken van de
houtkachel van de bewoners van [locatie 1] te
[plaats] afgewezen.
Bij besluit van
18 november 2008 heeft het college de door onder
meer [belanghebbenden] daartegen gemaakte
bezwaren gegrond verklaard en [appellante] en
[wederpartij] onder oplegging van een dwangsom
gelast de overtreding van het Bouwbesluit en de
Bouwverordening van de gemeente West Maas en
Waal te beëindigen. Daarbij is vermeld dat zij
dit kunnen doen door het stoken van de in de
woning aanwezige houtkachel volledig te staken
en gestaakt te houden.
Bij uitspraak
van 24 december 2009, verzonden op dezelfde dag,
heeft de rechtbank het door [appellante] en
[wederpartij] daartegen ingestelde beroep
ongegrond verklaard. Deze uitspraak is
aangehecht.
Tegen deze
uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de
Raad van State ingekomen op 26 januari 2010,
hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger
beroep zijn aangevuld bij brief van 25 februari
2010.
Het college
heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling
heeft de zaak ter zitting behandeld op 26
augustus 2010, waar [appellante],
vertegenwoordigd door haar [vader], bijgestaan
door mr. G.J.B.C. Maton, advocaat te
's-Hertogenbosch, en het college,
vertegenwoordigd door J.A.H. Meuwissen en W.
Jol, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn
verschenen.
Voorts is daar [belanghebbende] als partij
gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge
artikel 7.3.2, aanhef en onder b, van de
bouwverordening van de gemeente West Maas en
Waal (hierna: de bouwverordening), voor zover
thans van belang, is het verboden in, op of aan
een bouwwerk of op een open erf of terrein
voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of
te hebben, handelingen te verrichten of na te
laten of werktuigen te gebruiken, waardoor op
voor de omgeving hinderlijke of schadelijke
wijze stank, stof of vocht of irriterend
materiaal wordt verspreid.
2.2.
[appellante] betoogt dat de rechtbank heeft
miskend dat niet vaststaat dat zij als
overtreder van het in artikel 7.3.2, aanhef en
onder b, van de bouwverordening genoemde verbod
moet worden aangemerkt. Hiertoe voert zij aan
dat niet uitgesloten is dat de waargenomen
brandgeur wordt veroorzaakt door het gebruik van
de tuinkachel van de bewoners van [locatie 2].
2.2.1. In het
door [appellante] aangevoerde is geen grond te
vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten
onrechte heeft overwogen dat het college op
basis van de resultaten van het door
Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. verrichte
onderzoek, neergelegd in het rapport van 4 april
2008, [appellante] als overtreder van het verbod
in artikel 7.3.2, aanhef en onder b, van de
bouwverordening heeft kunnen aanmerken. Niet
aannemelijk is gemaakt dat de brandgeur wordt
veroorzaakt door het gebruik van een tuinkachel
door de bewoners van [locatie 2]. Ter zitting is
in dit verband gebleken dat geen sprake is van
een tuinkachel, maar van een barbecue die enkel
in het zomerseizoen een aantal malen in gebruik
is. [belanghebbende] heeft bovendien te kennen
gegeven dat de klachten van geur- en
rookoverlast, zoals bij de gemeente kenbaar
gemaakt, betrekking hadden op een ander gedeelte
van het jaar. [appellante] heeft dit niet
weersproken.
Het betoog
faalt.
2.3.
[appellante] betoogt dat de rechtbank heeft
miskend dat uit de gestelde omstandigheid dat na
het staken van het stoken op 6 december 2008
geen klachten van omwonenden meer zijn ontvangen
respectievelijk er geen overlast meer is geweest
niet volgt dat de opgelegde last rechtmatig is.
2.3.1. De met
deze beroepsgrond bestreden rechtsoverweging 3.8
van de rechtbank is uitdrukkelijk ten overvloede
gegeven en is mitsdien niet dragend voor de
beslissing van de aangevallen uitspraak. Deze
beroepsgrond kan derhalve reeds om die reden
niet leiden tot vernietiging van de aangevallen
uitspraak.
Het betoog
faalt.
2.4. De
conclusie is dat is gehandeld in strijd met
artikel 7.3.2, aanhef en onder b, van de
bouwverordening, zodat het college ter zake
handhavend kon optreden.
Gelet op het
algemeen belang dat gediend is met handhaving,
zal in geval van overtreding van een wettelijk
voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om
met bestuursdwang of een last onder dwangsom op
te treden, in de regel van deze bevoegdheid
gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere
omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden
gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen
indien concreet zicht op legalisatie bestaat.
Voorts kan handhavend optreden zodanig
onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te
dienen belangen dat van optreden in die concrete
situatie behoort te worden afgezien.
2.5.
[appellante] betoogt dat de rechtbank het door
haar in beroep aangevoerde ten onrechte niet
tevens heeft aangemerkt als een beroep op het
evenredigheidsbeginsel. Zij stelt dat de
opgelegde last onevenredig is, gelet op het
ontbreken van een algeheel stookverbod in de
gemeente. Voorts acht zij de voorgestelde
maatregel om aan de last te kunnen voldoen
onevenredig bezwarend.
2.5.1. De
rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken
van bijzondere omstandigheden op grond waarvan
het college diende af te zien van handhavend
optreden. In de omstandigheid dat de rechtbank
niet uitdrukkelijk is ingegaan op hetgeen door
[appellante] is aangevoerd is geen grond te
vinden voor het oordeel dat de rechtbank dit
niet bij haar oordeel heeft betrokken. De
rechtbank heeft in het door [appellante]
aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het
oordeel dat het handhavend optreden zodanig
onevenredig is in verhouding tot de daarmee te
dienen belangen dat het college daarvan in dit
geval had dienen af te zien. Het college heeft
het belang van de omwonenden gevrijwaard te
blijven van overlast ten gevolge van het gebruik
van de houtkachel in dit verband in redelijkheid
zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van
[appellante] bij het kunnen voortzetten van dat
gebruik. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat
het gestelde ontbreken van een algeheel
stookverbod in de gemeente niet met zich brengt
dat niet zou kunnen worden opgetreden tegen
stoken dat overlast oplevert voor anderen.
Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat
de in het besluit op bezwaar voorgestelde
maatregel om te kunnen voldoen aan de last niet
in redelijke verhouding staat tot het ermee
beoogde doel. Hierbij wordt in aanmerking
genomen dat de last niet uitsluit dat voor een
andere oplossing dan het staken en gestaakt
houden van het stoken van de houtkachel wordt
gekozen.
Het betoog
faalt.
2.6. het hoger
beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak
dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een
proceskostenveroordeling bestaat geen
aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in
naam der Koningin:
bevestigt de
aangevallen uitspraak.
Aldus
vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van
Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr.
J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr.
A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.
w.g.
Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in
het openbaar op 15 september 2010